De talige ontwikkeling van leerlingen verloopt het best als je in je taalonderwijs zowel impliciet als expliciet met taal aan de slag gaat. Impliciet, dat is het gebruiken en inzetten van taal, het ‘al doende’ leren. Maar het is daarnaast ook belangrijk om bepaalde aspecten van het taalsysteem of het taalgebruik te expliciteren. Een grammaticaregel uitleggen bijvoorbeeld, de definitie van een moeilijk woord geven of voordoen hoe je als leraar bepaalde strategieën toepast (modeling). Waak er als leraar over dat je beide manieren van leren – impliciet en expliciet – op een slimme manier met elkaar combineert. Lees je bijvoorbeeld een complexe tekst met je leerlingen? Dan kan dat de kans zijn om ook eens expliciet te focussen op bepaalde woordenschat, leesstrategieën of spellingregels, vanuit een betekenisvolle context (en niet geïsoleerd).
Wat betekent dit principe?
Hoe pas je dat toe op meertaligheid?
Meertalige leerlingen hebben het soms moeilijk met bepaalde taalregels in het Nederlands, zeker als ze die uit hun thuistaal niet kennen (denk bijvoorbeeld aan talen zonder lidwoorden). Websites als MoedINT2 bieden je als leraar laagdrempelige informatie over een hele reeks veelvoorkomende thuistalen, zodat je rekening kunt houden met welke thema’s mogelijk meer expliciete toelichting kunnen vergen. Leerlingen hebben vaak ook heel wat kennis over taalsystemen in de andere talen die ze beheersen. Zet die in door de verschillende talen te (laten) vergelijken: laat een zin vertalen in de diverse talen in de klas, en kijk welke woorden of patronen je herkent. Waar staat het werkwoord in de zin? En het onderwerp? Dat biedt kansen tot gesprek én reflectie.